Overal nog IJs, Gezondheid en Geluk

De winter van negentienzesentachtig op -zevenentachtig is net niet op een Elfstedentocht uitgedraaid. Maar koud was het wel. Met zelfs overdag temperaturen die nog onder de min tien graden bleven steken. En dan groeit het ijs hard.
Ik moet toch nog eens navragen of er toen wellicht wèl een Elfmerentocht is gereden. Dat was een soort opmaat voor het Grote Werk, maar dan ingekort tot een afstand van ongeveer 120 kilometer in het midden en zuiden van de provincie. Dus bijna tweederde van de Tocht der Tochten. Ten eerste was het ijs daar wat eerder betrouwbaar dan in het noorden. Doordat er veel meer meren en bredere vaarwegen zijn. En ten tweede omdat je die afstand grotendeels bij daglicht kon afleggen. Zo ongeveer tussen zeven uur 's morgens en zes uur aan het einde van de middag.
Op die tijd precies moest je dan ook weer binnen zijn en je stempelkaart ingeruild hebben tegen een toch ook wel begerenswaardig plakje gegoten brons met een Fries lintje. Eén seconde over zes en je kreeg dat simpelweg niet meer. En dan was alles voor niks geweest. Friezen sjoemelen daar niet mee. Houden ze niet van.
Ik weet dat zo goed omdat ik de, tot nu toe laatste, der Elfmerentochten in negentien zevenennegentig zelf heb gereden. En het bewijs daarvan hier nog steeds trots achter het verlichte glas ligt. Ik was dus toen al bijna zestig.
Je begon in Sneek, schaatste bijna tweederde van de Elfstedenroute en boog dan net voor Bolsward weer af naar Sneek. Waar het Spandoek START dan inmiddels was vervangen door FINISH.
Achteraf gezien was dat voor ervaren schaatsers best goed te doen. Maar pittig was het zeker ook. Natuur-ijs is alles wat het in Thialf niet is. Een veldrit parcourt is er een makkie bij. Dus vóór die tocht was vijftig kilometer echt wel mijn limiet. En met die gedachte begon ik er dan ook aan. Niet verder dan Staveren dus. Maar de mogelijkheden van een mens zijn oprekbaar. Als je eenmaal bezig bent.
Ik heb er toen ook nog een verslag van geschreven. Vooral omdat vrijwel niemand van die categorie schaatsers de aanleg en behoefte heeft om zo'n belevenis vanuit eigen beleving op papier te zetten. En reken maar: er gaat onderweg heel wat meer door je heen dan wat je in welke krant of tijdschrift dan ook terugvindt.
Doen journalisten dan niet aan toerschaatsen? Ik zou het niet weten. Komt weinig voor denk ik. Nu zeker niet meer.
Wat daar zo leuk aan was? Dat je je op twee ijzertjes onder je voeten, zonder veel inspanning, met soms wel meer dan veertig kilometer per uur door prachtige winterlandschappen kunt voortbewegen. Nog harder dan het ouwe fietsen dus. En vrijwel geruisloos. Héérlijk!
De enige voorwaarde om mee te mogen doen was dat je ergens in de vooraf gaande zomer al een paar tientjes had neergeteld voor het recht om deel te nemen. Voor het geval dat die tocht in de navolgende winter echt gereden zou kunnen worden. Wat natuurlijk meestal niet het geval was. Maar alleen al voor de kans daarop had ik zelfs wel meer over gehad.
Maar goed, het vroor dus dat het kraakte. En Ernst van den Brandt - Rietjes' huisarts en inmiddels ook die van mij - had de week daarvoor tegen haar gezegd:
"Als je niet vroegtijdig wilt overlijden aan verwaarlozing van je gezondheid, en vooral niet aan de gevolgen van je hernia diafragmatica, ondanks de redelijk geslaagde operatie, dan moet je nu echt aan jezelf gaan denken. En gauw ook. Liefst nog ver genoeg weg van hier waar tot nu toe de dagelijkse zorgen veel te veel van je gezondheid eisen."
Zo'n dokter was dat toen nog. Hij gaf je niet alleen pillen of verwees je bij uitzondering en een (te) lange wachttijd door… nee, hij begeleide zijn patiënten echt nog zoals Hippocrates dat bedoeld moet hebben: van de wieg tot het graf. De ene helft van je patiënten vanuit hun wieg tot halverwege en de andere helft van halverwege tot in het graf. Anders had hij zelf twee levens nodig gehad en dat was nog nooit iemand gelukt.
Maar twee huisartsen voor je hele leven; wat een zaligheid!
Dat er weer eens iets goeds toch helemaal anders moet tracht men vandaag de dag te bewijzen.
Maar ik blijf ervan overtuigd, dat de gezondheidszorg daarmee de bedoeling van wat zorg eigenlijk moet zijn, achteloos bij het groot vuil heeft gedeponeerd. En dat dit onnodig levensgeluk en mensenlevens kost.
We hadden voor het weekend afgesproken met een makelaar uit Lemmer. Om huizen te gaan bekijken in de Zuidwesthoek van het Friese land. Onze motorsailer Sylmar lag daar al. In Balk. Waar ik ook van oudsher een caravan had staan. Voor fijne watersportweekends en -vakanties met vrouw en kinderen.
Maar ook om mijzelf in eenzaamheid terug te kunnen trekken en te doen wat ik nu op dit moment ook weer doe: schrijven wat op papier dient te worden vastgelegd. En tegenwoordig ook voor eeuwig (?!) wordt opgeborgen in de Cloud. Waar dat dan ook mag zijn.
Het liefst hadden we onze, toen nog niet helemáál uitgevlogen nakomelingen gewoon mee genomen. Maar jong volwassenen waren in die tijd bijna beangstigend bang voor veranderingen. En verkozen vrienden en vriendinnen te allen tijde binnen handbereik, dan toch boven het ouderlijk vangnet. Zelfs als zij de beschikking hadden over een auto die hen toentertijd in een uur en nog wat bij ons bracht. Maar dat achterblijven was voor ons toch wel een reden om er vooral rekening mee houden dat Maarssen en omstreken goed en snel bereikbaar te bleven.
Men denkt nog steeds dat Friesland zo ongeveer op de maan ligt, maar na de aanleg van de A6 is dat een fabeltje. Ik heb na onze verhuizing naar Uitwellingerga nog jaren heen en weer geforensd. Soms wel drie keer per week. Binnen vijf kwartier achter m’n bureau in Loenen a/d Vecht. Overnachten op Terra of in een hotel was absoluut geen optie. Zo lang konden Rietje en ik toen al niet meer zonder elkaar…
En achteraf bleken we ook niet de enige, van-huis-uit “westerlingen”, die afstand nemen verkozen boven de toenemende overbevolking van de steeds duurder en crimineler wordende Randstad.
En àls je vrij was dan wàs je ook vrij. Met een schip of bootje aan de eigen steiger als verlengstuk van je achtertuin.
Ik heb met Rietje nooit hoeven praten over het waarheen-dan. Steven had een oer-Friese moeder die slechts door werkeloosheid in de jaren twintig werd gedwongen tijdelijk te 'emigreren' voor een 'dienstje' in het westen. Tot ze Ludy's opa tegenkwam. En de eerste Lubke was de enige niet. Maarssen telde - en telt nog - de in die tijd door Bammens gebouwde "Friese Buurt". Want dat deden ondernemers toen nog wel: ze bouwden straten vol met huizen om vakbekwaam en betrouwbaar personeel aan zich te binden.
Dus was al lang vóór mijn "entree" de gewoonte ontstaan dat Rietje en Steven een paar maal per jaar in Akkrum op bezoek gingen bij hun Muoikes en Omkes om de familiebetrekkingen te onderhouden. En om Ludy en Rik te laten zien dat er ook nog een vreedzaam stukje samenleving binnen auto-bereik voorhanden was.
Want aan banen mocht er dan tijdens de wereldwijde recessie een groot tekort zijn ontstaan; de geboorte van kennelijk toch gelukkig levende kinderen bleef onverminderd doorgaan. De productie kostte niks, het onderhoud en de opvoeding wel. Maar daar heeft nog nooit een geboren Friezin erg tegenop gezien. Direct na de oorlog was er in hun gezinnen zelfs nog plaats voor heel wat westerse bleekneusjes…
Ja, ik weet het: ik had hier geboren moeten worden. En Rietje waarschijnlijk ook.
Rietje en ik zijn, na onze tijd in Maarssen en omgeving, ook nog meermalen naar Akkrum toe gevaren. Met oma Lubke koninklijk in een tuinstoel op het dek, wat ze meer dan geweldig vond, maar wel opmerkte dat het Sneekermeer in haar beleving een stuk kleiner was geworden…
Hoe groter het schip hoe kleiner het meer, denk ik dan maar.
Even een wetenswaardigheid tussendoor: in het oude Friesland bloeiden de meeste interlokale en inter-dorplijke liefdesrelaties op tijdens de wintermaanden. Hoe en waardoor?
Dan lag er ijs! En de zon had geen monopolie op romantiek!
Weer thuis gekomen in Top en Twel was er dan niet veel voor nodig om Oma aan het vertellen te krijgen. Want vertellen dat kon ze. Ik denk dat Rik zijn talent van haar heeft geërfd.
Aan het hoofd van onze eettafel gezeten, met uitzicht over de smalle weg met bomen en tot ver over de weilanden richting Sneek, sloeg ze dan af en toe door in het Fries. En als ze dat zelf ook bemerkte dan keek ze mij aan en zei:
"Sorry jongen, dat versta jij natuurlijk niet."
"Niet alles oma", zei ik dan, "maar het meeste begrijp ik echt wel. In het Fries klinkt het allemaal nog veel mooier ook.” En dat was en is nog zo!
"En dan ging ze toch weer even door in het Hollands. Om daarna als vanzelf weer op haar "Memmetaal" terug te vallen. Heerlijk vonden Rietje en ik die bezoekjes".
Ik had een diepe bewondering voor die vrouw. En voor haar mensenkennis. Tenslotte was het háár zoon die zo kort tevoren was overleden. En ik was daar nog slechts een invaller met een onbekend verleden. Maar toen ze Rietje opbelde en ik de telefoon toevallig opnam was ze even stil... en gaf me toen het mooiste compliment van m’n leven: "Zeg jij voortaan maar Tante Lub…"
Wat Bammens NV in die tijd aan onze welvaart toevoegde? Zowat alles wat je in elk huishouden kon verzinnen dat van verzinkt metaal kon worden gemaakt. Teilen en teiltjes voor was en weckpotten. En ook voor kinderen en al het andere dat periodiek met zeep en warm water moest worden afgesponst. Het verving zonodig ook elke niet geëmailleerde emmer, was bekend om de vaderlandse opvatting van hygiënische vuilnisbakken, maakte voor elke gemeente alle vuilcontainers en ontwikkelde steeds weer aanvaardbare oplossingen voor elke maatschappelijke vernieuwing.
Tot aan de 'uitvinding' van het plastic was verzinkt metaal de meest doelmatige en efficiënte voorganger van tal van gebruiksvoorwerpen, die thans het milieu verpesten, de zeespiegel doen stijgen, de jaargetijden door de war gooien, tal van nuttige dieren het bestaan kosten en verbrandingsgassen de voorheen nog frisse lucht in blazen.
"Ja, ja", zeggen de milieufreaks nu, "dat zeg je nu wel, maar de vervuiling bij het maken van die verzinkte metalen bakken was ook niet mis."
Welnu, daar heb ik een heel simpel antwoord op: wat Bammens produceerde ging toevallig wel meer dan tien òf twintig keer zo lang mee! En dat is in het kader van de economische groei kennelijk veel en veel te lang.
Dus hoe je die zaken ook wendt of keert, je stuit altijd weer op de macht van geld. En op de alom etaleerbare status van het oliedomme individu dat denkt zijn of haar niet bestaande belangrijkheid wel te kunnen bewijzen met steeds grotere huizen, steeds duurdere auto’s en tenminste één Rolex in de familie.
Daarbij volstrekt voorbij gaand aan welzijn en een gezond milieu voor iedereen.
Meelijwekkend doch helaas maar al te waar…
Rietje en ik waren dus onderweg naar Lemmer. En buiten de auto vroor het dat het kraakte. Maar we hadden ook beiden iets vanbinnen, dat ons leven altijd zou blijven beheersen: het blije gevoel dat de toekomst ons samen nòg meer geluk zou kunnen gaan brengen.
19 januari 2026
