PANDARUIL

05-02-2026
 

We woonden hier nu al een tijdje. Met de eerste Sylmar tegen de achtertuin. Aan onze eigen aanlegsteiger. Stroom, drinkwater, motor altijd startklaar. Zeilen netjes opgeborgen. Zomer en winter. Wie kunnen dat zeggen in dit overvolle land? Niet veel mensen. Geen duur liggeld in een jachthaven. Geen gesleep met alles wat je mee- en weer mee terug moest nemen. Altijd opgemaakte bedden en kastjes met keukengerei en vol noodzakelijke kleding. Mondvoorraad vanuit de keuken.
 
Alleen herinner ik mij geen kachel aan boord. Maar ook het gemis niet. Met kaarsen kwam je een heel eind. En met een omgekeerde terra cotta bloempot op een brander van de kookplaat nog veel verder. Was nog regelbaar ook: groot, half en klein. Wel met je tengels van dat bloempotje afblijven totdat het was afgekoeld. Dat systeem is nu weer in de handel. Maar dan met waxine lichtjes. 

Lijnen los en wegwezen. Al was het maar voor een tochtje in de omgeving. Dat kòn, maar dat was niks voor Rietje. Met de boot weg? Dan ook écht weg. Voor meerdere dagen. Liefst weken. Maar dat kwam er toen nog zo vaak niet van.

Ik moest werken voor de kost. Letterlijk. Tot aan ons pensioen. De kost verdienen, want de pensioenpot groeide alleen zolang je er niet aan kwam en was bedoeld voor onze Oudedag. Zo rond de eeuwwisseling. Anders zou voor Rietje in 1999 de koek helemaal op zijn geweest. Op de AOW na.

Geen probleem, want ik had genoeg te doen. Oude klanten waren òf gewoon gebleven òf min of meer vanzelf terug gekomen. Als je voorzichtig naar de cijfers keek, dan zag je dat ik in mijn ééntje met freelance inkoop nogal wat meer overhield dan aan salaris met een eigen bureau het geval was geweest.

Maar leuker was het niet. Ik miste de samenwerking in teamverband. En Terra Nova uiteraard. Maar je kunt niet álles hebben. Wonen in het centrum van de watersport was de droom van Rietje en mij samen. En die was nu - ook wel versneld door de toestand van haar gezondheid - werkelijkheid geworden.

De eerste tijd schreef ik nog veel plannen en voorstellen. Plus alle teksten en scripts nog voor het inmiddels verkochte, maar nog niet betaalde Imaco. Ik forensde twee of drie keer per week heen en weer. En mijn salaris ging gewoon door. Maar de koper had zichzelf overschat en kon niet wat ik voordien ook nog allemaal deed. Hij kreeg het ook niet elders ingekocht. Of was dat nooit van plan geweest. Maar daarover later meer. Eerst wat écht belangrijk was…

Rietje was al wat tot rust gekomen. En haar gezondheid ging vooruit. Ze las het ene boek na het andere. Want lezen was ook voor haar ontspanning. Je fantasie de vrije loop laten. En al het andere even mogen vergeten. Dat doet een boek met je. We kochten er elke week wel een stuk zes, zeven. Voor mij dus ook. Onze Billy boekenwand van IKEA werd voller en voller. Naast boeken ook de klok, de telefoon en allerhande gezellige en nuttige dingen. Met een soort van lichtbalk er boven. Ook van Ikea, dus dat paste precies. Over de volle lengte van de muur. En dat bleek nodig ook, want onder het houten balkon van boven zaten we heerlijk in de schaduw. Als het in de zon te warm was. Maar zodra de dagen korter werden, dan was het ook aan die kant van de kamer wat vroeger donker. En Led was nog lang niet uitgevonden.

Die kastenwand stond daar waar Grietje de hele muur ooit had laten "behangen" met een wollig grijs tapijt. Dat was ons op die eerste koude winterdag ook al opgevallen. Tapijt tegen de muur? Waren deze huizen dan zó gehorig? Of maakten de buren zoveel lawaai? Nee? Dan zal het wel als warmte-isolatie bedoeld zijn geweest. Wie het er af heeft weten te krijgen weet ik niet meer. Maar de schoonmetselwerk muur die er onder had gezeten, was niet meer in ere te herstellen. Niet zonder zandstralen. Voor binnen vonden we dat dan ook niet meer zo'n goed idee. Dan maar een complete wand met kasten. Wit. Dat stond nog lekker fris ook. En de daarmee ontstane bergruimte zou mettertijd onmisbaar blijken.

Ik zat boven. Aan mijn bureau. En kon zo de hele gracht af kijken. Ook in de verte. Naar de vrachtvaart in het Prinses Margrietkanaal. Die voorbij kwam richting brug of richting Slotermeer. Zelfs een computer belemmerde m'n uitzicht niet. Want die waren er nog nauwelijks. Niet voor privégebruik tenminste. De buurvrouw van twee huizen verder had er wel één. Bij uitzondering. Maar die gaf dan ook les in dat soort vakken. Op het Friesland College. Van typiste, via secretaresse tot tekstverwerking op een computer. Dat was hartstikke nieuw. MS-DOS heette dat toen nog. Een programma waarover elke gebruiker meermaals daags z'n gram niet onder stoelen of banken stak. De hoeveelheid commando’s die je uit je hoofd moest leren was gigantisch. Ik begon er niet aan. Nooit wat mij betreft. Want Apple had de muis nog niet uitgevonden. Laat staan het touchpad. Maar Thea was wel een welkome vraagbaak. We raakten goed bevriend. Haar man was in Leeuwarden F16 piloot geweest en nu leraar Engels.

Het was de oertijd van de automatisering. Al maakte IBM als eerste wel bureaucomputers voor het bedrijfsleven. En streefde naar één gemeenschappelijk systeem. Op basis waarvan meerdere programma's gegevens met elkaar zouden kunnen uitwisselen. SNA noemden ze dat. System Netwerk Architecture. De briefing op kettingformulieren was bijna twaalf meter lang. Ik had scripts voor hen geschreven en er met mijn team een show voor in elkaar gezet. Voor op de Efficiencybeurs in de RAI. Maar als je begreep wát het allemaal was, en waarvoor het diende, dan betekende dat bepaald nog niet dat je er zelf ook mee kon omgaan. Maar het was een fantastische opdracht. En het begin van IBM als één van mijn altijd trouw gebleven cliënten.

Nu leverde ik mijn teksten meestal weer handgeschreven aan. Soms met een netjes getypte brief erbij. Daar had ik zo'n draagbare Triumph voor. Die vond ik toen wel lekker typen. Beter dan die vercijfer-machines in het Haagse Commandocentrum. Waarvoor ik dat typen ooit geleerd had.

Soms ging Tiddo mee naar boven. Maar daar moest je hem bij helpen. Want die open draaitrap was te glad voor z'n vier poten. Maar dan wilde hij dat toch. En ging onder m'n bureau op mijn voeten liggen. Hij had ook veel mee gemaakt. We waren al toen heel lang vriendjes.

Het was een listig ontworpen woning. Met een brede kamer over de volle lengte van het huis. Dus wel van beide kanten daglicht. En dan opzij een ruime zo genoemde 'zitkuil'. Ook bereikbaar vanuit de hal met een extra badkamer ernaast. Van die zitkuil hadden Grietje en haar man hun gelijkvloerse slaapkamer laten maken. Wij waren blij met die oplossing. Want zo bleef de hele bovenverdieping beschikbaar voor logé's. Met drie slaapkamers, een complete badkamer en een toilet.

Maar voorlopig had ik hier mijn werkkamer. En dat uitzicht zou ik later wel missen.

De kinderen kwamen regelmatig logeren. Ludy vrijwel elk weekend. En als we ergens anders met de boot lagen dan kwam ze zelfs dáár naartoe. Ze logeerde ook aan boord. Ook Tessa was een graag geziene logé. Met soms een vriendin of vriendje.
We hadden dus nog niet besloten of we de woning op Koartebaen 1 zouden aanhouden of niet. Om daar mijn werk te gaan doen zagen Rietje en ik toch niet meer zo zitten.

Er was min of meer vanzelf een soort van dagelijkse routine ontstaan. Als ik opstond om Tiddo uit te laten en te gaan werken, dan rolde Rietje zich op mijn slaapplek. Voor haar begon de dag pas als ik met de eerste koffie aan kwam zetten. Voor mij de tweede. Die extra rust had ze nog steeds nodig. Haar dagritme is altijd zo gebleven. En dat was goed. Maar daarmee was Koartebaen 1 als werkruimte exit.

In de weekends kreeg Rietje meestal niet de kans voor zo’n langzame start. Want voor logé's voelde ze zich weer helemaal gastvrouw. En dat was ze dan ook.

Maar als Ludy onze enige vertrouwde logé was dan hoefde dat niet en waren we echt, wat je noemt, onder ons. Ze zat in die tijd in de opleiding van Schoevers. Een begrip voor wie een perfecte secretaresse wilde worden. En dat werd ze later ook.

Dit betekende dat ze - meestal op maandagochtend - weer terug moest naar Maarssen. En haar rode verjaardags' Panda had intussen al heel wat kilometers achter de wielen.

Tot hij bij de afslag Bant plots niet verder wilde. Of niet meer op gang kwam. Ze zag nog wel kans om in het dorp een telefooncel te bereiken en ons te bellen.

Teneinde haar hoe dan ook verder te kunnen laten rijden ging ik er naartoe met Rietje's nog vrijwel nieuwe Panda. Onderweg besloot ik die maar meteen mee te geven. Dan kon ik rustig uitzoeken wat er met de Ludy’s eigen auto aan de hand was. En zonodig ook wachten op de wegenwacht. Maar er bleek een synchroonring versleten. De nog bijna nieuwe van Panda van Rietje kregen we later wel weer terug.

Luud was het daar natuurlijk mee eens en reed niet eens zoveel later weer verder.

Ik schakelde de rode Panda van één naar drie en reed weer terug naar Rietje. Al bij de koffie waren we het er over eens dat Ludy de witte maar moest houden. Daar kon ze dan nog een aantal jaren zonder problemen mee vooruit. Ook en vooral naar ons op en neer. En dus werd de rode gerepareed en was voortaan Rietje's auto. 

Voorjaar 1987

Share