Kwaadaardig of heel ernstig ziek?

"U kent mij niet, maar ik ben een tante van Cisca".
"Ja, mevrouw?"
"U bent toch haar vroegere baas en u was toch ook getuige bij haar huwelijk?"
"Dat klopt, mevrouw. Dat ben ik.
Een tante van Cisca. Daar sprak ze wel eens over. Die heb ik ook op haar huwelijk gezien. Een aardige, oude dame. Wat is er aan de hand, dat ze mij belt? Ik luister.
"Dan denk ik dat Cisca u nu nodig heeft. Ze heeft vaak over u gesproken…"
"Hoe bedoelt u: Cisca heeft mij nu nodig?"
"Dat probeer ik u voorzichtig te vertellen, maar ik weet niet precies hoe uw verstandhouding met haar was. Ik ben maar een oude vrouw".
"Onze verstandhouding? Heel goed. We hebben daar ooit een soort uitdrukking voor bedacht. Ik noem haar vaak 'mijn grote zus' als u dat bedoelt. Ik heb nooit een zuster gehad namelijk."
"Ja, dat weet ik. Zij heeft geen broers en sprak ook wel eens zo over u. Daarom bel ik u."
Ik denk aan Cisca, mijn steun en toeverlaat bij het bureau waar ik zoveel heb geleerd. Inderdaad was de gegroeide, wederzijdse sympathie groot genoeg om het contact in stand te houden. Nog geen vier maanden geleden zijn Trudy en ik nog bij Cisca en haar man Gertjan op bezoek geweest. Ze leken toen heel gelukkig. Er moest iets helemaal mis zijn.
"Ik weet niet precies hoe ik het u moet vertellen, maar Cisca en Gertjan hebben een ongeluk gehad. Gertjan leeft niet meer en Cisca is heel erg zwaar gewond. Ze ligt in Nijmegen in het Radboud Ziekenhuis. Daarom denk ik dat zij u nu nodig heeft."
Ik kan even helemaal niets terug zeggen. Ineens zit m'n keel helemaal dicht gesnoerd. Ik weet zelfs niet wat ik op dit moment voel of denk. Ongelukken staan altijd zo ver van je af totdat…
"Bent u daar nog?"
"Ja… ja, mevrouw."
"U bent geschrokken, dat begrijp ik. Ik wist niet hoe ik het u anders moest vertellen. Ik zei u: ik ben maar een oude vrouw."
"Kan.. kan ik naar haar toe?"
"Ja, doet u dat. Daarom heb ik u gebeld. Omdat ik denk dat dat goed is."
"Dank u wel mevrouw. Ik beloof u dat ik vandaag nog…"
"Dan is het goed. Maar schrikt u niet. Ze is werkelijk heel erg gewond. Het is gisteren gebeurd."
"Mijn vrouw is verpleegster. Ik zal haar meenemen. Zij heeft dit meer meegemaakt. Ze kent Cisca ook goed. En Cisca haar.
"Dat moet u zelf beoordelen".
"Als u wilt dat we u mee…"
"Nee, het gaat om u. U kunt haar misschien een beetje moed geven. En moed zal ze nodig hebben. Begrijpt u mij?"
"Ja, ik begrijp u. Dank u heel erg dat u mij hebt gebeld."
"Dat moest ik doen. Dag meneer."
Ze heeft opgehangen. Ik heb haar naam niet eens verstaan. Ik weet haar telefoonnummer niet. Ik weet niets.
Ik had nog zoveel meer te vragen gehad. Waarom heb ik dat niet gedaan?
Ja, ik weet dat Gertjan dood is. En Cisca zwaar gewond. Maar hoe zwaar is zwaar? Ik weet in welk ziekenhuis ze ligt. En ik besef dat ik daar naartoe moet. Zo snel mogelijk. Niet alleen omdat een oude tante dat heeft gevraagd. Maar vooral omdat ik het ook heel diep van binnen zo voel.
Ergens bekruipt mij tegelijk een zekere angst. Angst voor iets dat ik nog nooit heb gezien: iemand die ik heel graag mag, in een situatie die ik alleen ken van Trudy's beschrijvingen. Op het randje van de dood misschien wel. En Cisca schijnt me nodig te hebben. Dat zegt haar tante, die ondanks haar duidelijk ingehouden emoties, sprak als een eenvoudige, maar wijze, oude vrouw. Eén ding wist ik bij voorbaat: als ik zou schrikken dan mocht Cisca dat absoluut niet merken. Nee, Trudy moest mee. Zij wist hier veel beter mee om te gaan dan ik.
De trein vertrok sowieso al een kwartier te laat. Maar per auto was het helemaal niet te doen. Uitgerekend vandaag moest het zonodig overal spiegelglad zijn.
En de voorspellingen waren dat het nog veel erger zou worden. Trudy was het volledig met me eens dat we onmiddellijk naar Nijmegen moesten. Ze vroeg me van alles, maar ik kon haar niet meer vertellen dan wat ik zelf wist. Onderweg probeerde ze me voor te bereiden op wat ik mogelijk te zien zou krijgen. Een zwaar gewond verkeersslachtoffer kan er verschrikkelijk uitzien. Ik maakte duidelijk dat ik haar ook daarom juist nu zo hard nodig had. En Cisca ook. Ons samen. Ze moest beseffen dat ze juist nu goede vrienden had! Trudy beaamde, dat dit soms belangrijk kon zijn. Een duwtje voor de wil om te overleven. Ze beloofde nu al spontaan, dat ze vaker zou gaan. Als ik bijvoorbeeld eens niet zou kunnen. In Amersfoort moesten we overstappen. Het was snerpend koud op de perrons. Onophoudelijk lieten de luidsprekers weten hoezeer ook het treinverkeer in de war was geraakt. Geknapte bovenleidingen, bevroren wissels, overstappen... Toch aangekomen in Nijmegen, 'glibberden' we met een taxi naar het ziekenhuis. De onzekerheid over m'n mogelijke schrikreactie beklemde me steeds meer. Ik zei dat eerlijk tegen Trudy.
"Het moet en je kunt 't", zei ze kalm. "Ik heb het ook moeten leren. Cisca heeft nu iedereen nodig, die om haar geeft. En daar horen wij kennelijk bij. Jij zeker."
Ik vermande me.
Het was echt heel erg. Als ik niet op alles voorbereid was geweest, zou ik zichtbaar geschrokken zijn. Dat gebeurde nu niet. Ook al niet omdat Trudy voor mij de kamer in ging en ik daardoor een seconde of wat de gelegenheid kreeg de eerste indrukken te verwerken. Bij de zusterpost had Trudy even heel zakelijk geïnformeerd naar de aard van de verwondingen: een gebroken nek, zwaar hersenletsel, gebroken ribben, een gebroken kaak, voortanden vrijwel allemaal weg, gebroken handen, verbrijzeld rechter been, een breuk in het linker- en in de rechter arm. Verder natuurlijk overal 'hematomen' en enkele gehechte wonden. Ze zou het wel halen, maar helemaal zeker was dat nog niet. "Ligt ze in een tractie? vroeg Trudy. Daarmee terecht meteen aangevend, dat ze geen leek was.
'Ja', antwoordde de zuster en noemde nog wat technische details, die aan mij voorbij gingen.
Op weg naar de kamer, gaf Trudy mij nog wat extra informatie: "Ze heeft een metalen ring om haar hoofd met vier pennen in haar schedel. Daaraan zit een kabel die over een katrol loopt met daaraan weer gewichten. Om haar nek in de juiste stand te houden. Misschien is ze zelfs vastgebonden. Ze zit onder de pijnstillende middelen. De rest heb je wel begrepen. Het zal inderdaad geen prettig gezicht zijn. Houd voor ogen hoe we haar vier maanden geleden voor 't laatst gezien hebben. Dan lukt het wel."
Dat laatste was de beste raad die ze me kon geven.
Het prachtige blonde haar van Cisca was voor driekwart weggeschoren, maar ik zag dat niet bewust. Haar gezicht was nauwelijks herkenbaar, maar voor mij was het toch Cisca. Haar onderlichaam lag verscholen onder een grote dekenboog. Over haar bovenlichaam was een laken gespreid, waar de armen - één in een spalk - met de verbonden handen weer bovenop lagen. Ze kon letterlijk niets, maar voor mij lag daar Cisca, die ons misschien nodig had.
Mijn angst voor m'n reactie was volstrekt overbodig geweest. We stonden hier bij zo'n onvoorstelbare vorm van menselijk lijden, dat alle andere waarden gewoon om ons heen wegvielen. Ik voelde alleen maar een intense behoefte om op dit mensenkind alle kracht over te dragen, die ik maar ergens vandaan wist te halen.
"Ad… Trudy…", van ergens heel diep uit haar sluimerend bewustzijn herkende ze ons.
"Ja Cisca, we zijn bij je."
"Fijn, dat jullie…"
Haar stem haperde.
"Je hoeft niet te praten, hoor. Alleen als je wilt.
We moesten ons iets voorover buigen omdat ze haar hoofd niet kon draaien. Toen Trudy zag dat ik het wel aankon, ging ze tactvol iets opzij staan. Ik wist niets beters te doen, dan m'n hand heel voorzichtig op Cisca's linker bovenarm te leggen. Het enige plekje waarvan ik kon vermoeden dat het haar geen pijn deed. Van Hans Kroeze had ik geleerd dat aanraken ook een vorm van communicatie is.
"Grote broer", hoorde ik ineens heel zacht.
"Mijn grote zus.
"Haar ogen vielen weer dicht.
Ik wachtte en keek tersluiks Trudy even aan om hulp, om advies. Ze knikte alleen. Ik maakte daaruit dat ik niets verkeerds deed.
Minuten gingen voorbij. Wat moest ik zeggen? Wat kon ik zeggen? Zou ze het wel horen? Ineens gingen haar ogen weer open en keken me aan. Ik zag haar tranen glinsteren.
"Gertjan is er niet meer."
''Ik weet 't, zusje. Ik weet 't."
"Hij wordt begraven…"
"Ja."
''Ik zal hem nooit meer zien... nooit meer..."
Tranen zonder geluid. Stil verdriet. Onpeilbaar verdriet. Ik wist niets beters te doen dan haar vast te houden. De warmte van m'n handen op die ene arm. Ze was kennelijk voldoende bij bewustzijn om te weten wat er was gebeurd. Zelfs van wat er nog gebeuren moest. Ik besefte plotseling dat ze niet bij de begrafenis kon zijn. De begrafenis van haar eigen man.
"We hadden door het bos gelopen. Door de bladeren".
Ik wist me nog steeds goed te beheersen, maar ik denk dat er in onze ogen ook tranen waren. Zoveel verdriet, zoveel leed…
"Ad…"
”Ja, zusje?"
"Hij heeft geen pijn gehad."
"Nee."
"Maar ik begrijp het niet. Waarom, Ad?"
"Dat weet ik niet. Dat weet niemand."
"Nee, maar we waren zo gelukkig."
Haar stem zakte weg en haar ogen vielen weer dicht. Opnieuw gingen er voor mijn gevoel minuten voorbij. Minuten van ontelbaar veel onuitgesproken vragen. Van machteloze opstandigheid.
Toen voelde ik, meer dan ik het zag, dat ze weer probeerde om aan de oppervlakte van haar bewustzijn te komen.
"Cisca?"
Het lukte. Haar ogen gingen weer open.
"Cisca, je moet hier doorheen. Je moet. We houden van je. Hoor je me? Er zijn veel meer mensen die van je houden. Je moet. Begrijp je dat?"
"Waarom mocht ik niet dood? Waarom Gertjan?"
"Dat weet ik niet. Dat heeft een reden, denk ik. Daarom moet je je best doen.
Je moet! Hoor je me, zusje?"
"Ja, ik hoor je. Ik moet. Kom je terug?"
"Natuurlijk."
"Morgen?"
"Ja morgen."
"En kom je ook als Gertjan wordt begraven?"
"Dan zijn we hier. Bij jou. Ik beloof het je…"
"Dan is het goed."
Weer vielen haar ogen dicht. Ik verbeeldde me dat haar zo gehavende gezicht zich ontspande. Ze gleed weg in een verzachtende toestand van slaap of bewusteloosheid. Nog een tijdje bleven we zo bij haar.
Ze merkte niet dat ik m'n handen heel zachtjes van haar arm nam. Alles wat we nu konden doen, was gedaan. Ik keek Trudy aan en heel zacht liepen we achteruit. Elk van ons tweeën was bezig met z'n eigen gedachten. Ik hield de zelfsluitende deur voor Trudy open en remde hem af om te voorkomen dat hij te hard in het slot zou vallen. Terwijl we de gang in liepen, realiseerde ik me dat hierbij vergeleken alles onbelangrijk was. Samen zouden we proberen om Cisca verder te helpen. Ik was echt blij met Trudy's nabijheid en hulp. Haar deskundigheid. Dankbaar zocht ik haar blik...
Maar wat ik toen zag, was onvoorstelbaar!
Trudy's gezicht was één grauw masker. Ze staarde voor zich uit met niets ziende, glazige ogen en een samengeperste mond. Toen keek ze me opeens weer aan met een blik vol felle, krankzinnige razernij. Dáár, nog op de gang voor Cisca's kamer. Ik was compleet verbijsterd. Even nog dacht ik: is dit soms háár reactie op al het verschrikkelijke dat een mens kan overkomen? Maar ze siste me hard fluisterend iets toe.
"Wat zeg je?" Nog dacht ik het niet goed te hebben verstaan…
"Als je maar niet denkt dat ik hier ooit nog een stap zet."
"Wat... waar heb je 't over?"
Ik kon dit met geen mogelijkheid bevatten.
"Jij met je 'zusje' voor en 'zusje' na. Ze was maar gewoon je secretaresse, weet je nog wel?"
"Maar, maar we waren toch ook getuige bij haar huwelijk? Bij hùn huwelijk? Drie maanden geleden zijn we in Düsseldorf nog bij hen thuis geweest. Ik ben juist zo blij, dat je bent meegegaan. Heb ik daarnet toch iets niet goed gedaan soms? Maar zonder jou had ik dit helemaal niet…"
"Zonder mij, zonder mij? Niets kun je zonder mij. Je kunt niet eens een baan houden! Ga jij maar terug naar die slet. Naar dat zogenaamde 'zusje' van je. Je hebt niet eens een zus. Alleen maar een lapzwans van een broer. "We" houden van je, zei je. Nou, ik niet. Jij misschien, maar ìk niet."
Hier liet alle verstand me in de steek. Nog steeds was ik bezig met heel andere emoties. Maar dan realiseer ik toch eindelijk dat Trudy hier, lopend door de gangen van het Radboudziekenhuis, bezig is een waanzinnige, volstrekt onmenselijke ruzie uit te vechten. Ze praat steeds harder en ze sist en stottert tegelijk. Hier kan heel m'n verstand met geen mogelijkheid bij.
God, hoe kan het uit naam van alle mensen bestaan dat iemand dìt doet? Iemand die juist in háár vak zo goed is en door patiënten niet zelden op handen wordt gedragen... En dat dan ook bijna nog in de kamer van een patiënte die zweeft tussen leven en dood. Wie het dan ook is. Een mensenkind dat alles heeft verloren waar ze gelukkig mee was. Een jonge vrouw, die blij mag zijn als ze hier ooit min of meer hersteld vandaan komt. Dit gaat m'n verstand en al m'n gevoel van menselijke waarden ver en ver te boven.
En eindelijk begint het tot me door te dringen, dat er iets aan Trudy helemáál niet deugt. En ook nooit gedeugd hééft. Iets dat met gebrek aan innerlijke waarden en gevoelens te maken heeft. Met gebrek aan geweten. Zonder menselijkheid en mededogen. Eigenschappen zonder welke ik uiteindelijk ook niet met haar verder zal kunnen leven. Iets dat vanaf deze verschrikkelijke dag ooit de rechtvaardiging zal blijken voor een definitieve breuk. Maar nog niet op dit moment. Niet zolang de kinderen mij nog nodig hebben. En dàt hebben ze meer dan ooit na deze ontdekking. Maar ergens, diep in me, is er iets geknapt.
Vernield voor altijd. En totaal onvervangbaar.
We zijn door de draaideur gegaan. Op weg naar de taxistandplaats. In het donker en de snijdende kou draai ik me naar haar toe en kijk haar alleen maar aan. Ze wil weer wat zeggen. Maar overlopend van met de grootst mogelijke moeite ingehouden drift, bijt ik haar toe:
"Trudy, ditmaal hou je je vervloekte mond. Ik doe wat ìk vind dat ik doen moet. Wat jij daarvan vindt interesseert me geen barst meer. En als je hier en nu nog één keer je krankzinnige bek open trekt, dan blijf je hier maar staan. Zonder geld, zonder kaartje, zonder vervoer, zonder mij. Dan zoek je het maar uit voor de rest van je leven!"
Haar ogen bliksemen, maar ze blijft verder stil. Na tien jaar beseft ze eindelijk: dìt is de grens
God zij gedankt!
De taxichauffeur ziet vaker bezoekers uit het ziekenhuis komen. Hij denkt waarschijnlijk dat we aangedaan zijn en zwijgt ook.
Een half uur later, in de trein, praat Trudy weer gewoon over koetjes en kalfjes en haar ogen staan weer normaal. Het is alsof ze helemaal niet meer weet wat er is voorgevallen. Ik antwoord afwezig. In beslag genomen door m'n eigen, verwarde gedachten. Eén ding heb ik me vast voorgenomen: ik za1 naar Cisca blijven gaan zolang ze daar ligt.
En dat heb ik ook gedaan. De volgende dag en de dag waarop Gertjan werd begraven. Daarna elke week minstens één, soms twee keer. Bijna een jaar lang. Op en neer naar Nijmegen. Tweehonderd kilometer op een avond.
De eerste tijd leefde Cisca bij de dag. Maar ze leefde. Alsof ze zich nauwelijks van iets bewust was. Berustend en apatisch. Onverwacht, na ongeveer drie weken, ging er in haar geest opeens een deurtje open. Deskundigen zeggen dat een mens een soort van 'geheugenklepje' heeft. Dat sluit zich vanzelf als het verdriet te groot is. Het voorkomt dat je gek wordt. Dat 'klepje' gaat pas dan weer open als je het wèl aan kunt. Ik heb dat zien gebeuren.
Cisca was geen patiënt die aldoor over zichzelf sprak. Als ik kwam, gaf ze een kort verslag van de laatste, medische en andere gebeurtenissen. Daarna praatten we dan honderd uit over andere dingen. Binnen de kortste keren wist ze alles over m'n nieuwe bureau, over de klanten, over het werk en kwam daar dan bij het volgende bezoek nauwgezet op terug. Soms nam ik rapporten, voorstellen en andere zaken mee, zoals we die vroeger bij Bauduin samen behandelden. Maar ze onthield ook alles wat ik over thuis en de kinderen vertelde. In het begin vroeg ze wel of Trudy nog eens meekwam. Later niet meer. Over die verschrikkelijke ruzie heb ik haar uiteraard nooit iets verteld. Niemand trouwens. Op de één of andere manier schaamde ik me voor haar.
Toen, op een lentemorgen, mocht ik Cisca uit het ziekenhuis halen en naar familie in Amsterdam brengen. Ik vond dat een groot voorrecht. Ik verzamelde alle tact die ik in mijzelf vinden kon, want het was de eerste keer dat ze weer in een auto moest. Zo'n ding waarin haar leven totaal was verwoest. Door een tegenligger die bewust op hen was ingereden, omdat hij zelf dood wilde. De man kwam er met een hersenschudding vanaf. Here God, waarom?
Cisca had in totaal vier jaar nodig voor ze weer gezond genoeg was om te gaan werken. Vooral telefonisch hielden we in die tijd veel contact. Als ze zich goed genoeg voelde kwam ze af en toe ook wel naar Loenen. Enerzijds om ons met iets te helpen als dat zo uitkwam en anderzijds om een beeld te krijgen van de dingen waarover we in het Radboud hadden gepraat. Zo leerden de anderen haar ook kennen. Theo kende Cisca al van ons vorige bureau. Een paar keer moest ze terug naar een Amsterdams ziekenhuis voor operaties en revalidatie. Dan ging ik weer naar haar toe. Wat Trudy van die bezoeken vond, weet ik tot op de dag van vandaag niet. Ze zei niets en ik deed het gewoon. Maar haar gedrag op die ene, fatale avond heb ik nooit kunnen vergeten. En ook nooit kunnen begrijpen noch vergeven.
November 1972
